

De Brabantse Milieufederatie heeft mede namens Natuurmonumenten, Brabants Landschap en Staatsbosbeheer de aanbeveling opgesteld om bij alle activiteiten waarvoor natuurcompensatie vereist is, de voorwaarde te stellen dat de compenserende maatregelen voorafgaand aan de schadelijke ingreep moeten zijn uitgevoerd. De aanbeveling is gestuurd aan de Commissie Ruimte en Milieu van de Provincie, die op 15 januari het Rapport van de Zuidelijke Rekenkamer inzake natuurcompensatie behandelde.
Al vele jaren wijst de BMF op de noodzaak van een evenwichtige en daadkrachtige aanpak van de compenserende maatregelen, zodanig dat de compensatie geborgd wordt. Volgens de provinciale beleidsregels behoeft pas te worden gestart met de compensatie als de ingreep een feit is. De achtereenvolgende rapportages geven overtuigend aan dat deze regel vaak niet tot de gewenste borging van natuurkwaliteit leidt.
Compensatie is een uiterst middel, vindt de BMF en ook de minister. Uitgangspunt blijft dat schadelijke ingrepen zoveel mogelijk voorkomen worden. Alleen als er sprake is van een groot openbaar belang en er geen alternatieven mogelijk zijn is natuurcompensatie aan de orde.
Voor de Natura 2000 gebieden geldt bovendien dat de compenserende maatregelen voorafgaand aan de schadelijke ingreep moeten zijn uitgevoerd. Als bijvoorbeeld door de aanleg van een weg een dassenburcht wordt vernietigd, is het noodzakelijk dat voorafgaand aan deze aantasting een adequaat leefgebied voor de das wordt ontwikkeld. Een dergelijke compensatie vooraf is met succes door de gemeente Den Bosch uitgevoerd bij de aanleg van de randweg (case 3.4. rapport rekenkamer).
Dit voorbeeld illustreert dat het uitvoeren van de compenserende maatregelen voorafgaand aan de schadelijke ingreep vanuit natuurbeschermingsoogpunt van groot belang is.