10 x meest gestelde vragen over de Regionale Energie Strategie

Blog | Thema: Duurzame energie

juni 21, 2021

10 x meest gestelde vragen over de Regionale Energie Strategie

De Brabantse Milieufederatie zet zich in voor een echt groene en duurzame energietransitie. Wij dagen bestuurders uit om de regionale energiestrategie (RES) natuurinclusief uit te voeren. In dit blog krijg je antwoord op de 10 meest gestelde vragen over de RES.

ONTVANG UPDATES

  • 1. Wat is de RES nou eigenlijk?

    In Nederland hebben we met elkaar een Klimaatakkoord gesloten, met dit akkoord hebben we met elkaar afspraken om 49% CO<sub>2</sub> te reduceren in 2030 en 98% in 2050. Om deze doelen te halen, is Nederland verdeeld in 30 regio’s en per regio worden er regionale energieplannen gemaakt over de verdeling van de opgave. Zo’n energieplan noemen we een regionale energiestrategie, ook wel RES. Uiterlijk 1 juli 2021 moeten de energieplannen (RES 1.0) van alle regio’s zijn ingediend bij het Rijk

    Als document is de RES 1.0 een richtinggevend document, een strategische verkenning met politiek-bestuurlijke waarden. De RES is dus geen besluit, het geeft alleen richting. Het idee van de RES is dat gemeenten in een regio gezamenlijk komen tot afspraken over opwekking van zon- en windenergie, en over de inzet van regionale warmtebronnen. De provincie en het Rijk stellen zich terughoudend op omdat het een proces van onderop moet zijn. De gemeente is uiteindelijk verantwoordelijk voor de uitvoering van de afspraken die op RES-niveau worden gemaakt.

    De RES 1.0 wordt door de gemeenteraad vastgesteld, en heeft daarmee politieke betekenis. De juridische uitwerking vindt plaats via de Omgevingswet. Tegen de RES 1.0 zelf is geen bezwaar of beroep mogelijk, tegen de uitwerking ervan op gemeentelijk niveau via omgevingsplannen en omgevingsvergunningen is wel bezwaar en beroep mogelijk.

  • 2. Wat gebeurt er als een gemeente niet akkoord gaat met de RES?
    Een gemeente kan moties of amendementen indienen, ter ondersteuning of ter wijziging van de RES.

    Hoe er met amendementen en moties wordt omgegaan is sterk afhankelijk van de inhoud en van de reikwijdte. Een oproep om op gemeentelijk niveau meer aan besparing te doen is niet in conflict met de RES. Het uitsluiten van een zoekgebied kan wel regionale gevolgen hebben. Dat moet de RES dus op bestuurlijk niveau besluiten. Als een gemeente de RES afwijst, zal dit terugkomen bij de Stuurgroep van de RES. Hier wordt bepaald hoe met de afwijzing moet worden omgegaan. Ook in de RES 2.0 (vaststelling in 2023) kunnen sommige aanpassingen worden doorgevoerd.

    Wat nu als de gemeente de RES als geheel niet vaststelt? In theorie kan de provincie en uiteindelijk het Rijk, een gemeente via wettelijke regelingen dwingen om iets met duurzame energieopwekking te doen. De kans dat dit gebeurt is heel klein.

  • 3. Is het mogelijk om zon-op-dak te verplichten?
    Landelijk wordt gesteld dat circa 25% van kleine daken (kleiner dan 285 m<sup>2</sup>) en 30% van grote daken technisch geschikt is voor zonnepanelen, rekening houdend met schaduw, technische constructies, en dergelijke. Daarbij gaan de technologische ontwikkelingen steeds sneller en er zijn op termijn ook lichtgewicht oplossingen mogelijk, waardoor het aandeel zon op dak groter kan worden. Onlangs is nog een studie over de kansen en knelpunten voor zon op daken verschenen.

    Voor zover wij weten is het niet mogelijk om zon-op-dak met terugwerkende kracht te verplichten. Wel krijgen gemeenten in het ‘Besluit bouwwerken leefomgeving’ (Bbl) de bevoegdheid om te bepalen dat een dak verplicht wordt gebruikt of aangepast voor de opwek van duurzame energie. Naar verwachting treedt dit in 2022 in werking.

    Lees ook ‘Hoofdlijnen en tekst Besluit bouwwerken leefomgeving’ op iplo.nl

  • 4. Hoe is de zonneladder opgenomen in de RES?
    De zonneladder is in bijna elke RES in Nederland opgenomen en daarmee onderdeel van de gemeenschappelijke afspraak tussen gemeenten. Daarbij geldt dat de opgave voor duurzame energieopwekking die een gemeente heeft, moet worden vertaald naar mogelijkheden volgens de treden van de zonneladder. Dus men moet eerst het potentieel bepalen van trede 1, dan van trede 2 en zo verder totdat de totale opgave is afgedekt. De zonneladder zegt niet dat je <i>in de tijd</i> pas aan een lagere trede mag beginnen vóórdat een eerdere treden volledig is gerealiseerd. Je kunt dus wel tegelijkertijd werken aan zon-op-dak en zon-op-land, ervan uitgaande dat je op termijn alle mogelijke dakoppervlakte gaat benutten voor de energie-opgave.

    Voor toepassing van de zonneladder is de gemeente verantwoordelijk. De provincie kan gemeenten aanspreken op het toepassen ervan.

  • 6. Zijn er wettelijke afstanden van zon- en windparken tot natuurgebieden ?
    Er zijn (nog) geen wettelijke afstanden van zonneparken tot natuurgebieden. Voor windturbines geldt alleen dat de ‘overdraai’ van de wieken niet boven het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Natura 2000-gebieden mogen plaatsvinden. Bij de huidige windturbines betekent dit ongeveer 75 meter afstand tussen windturbine en de natuurgebieden. De BMF pleit bij windturbines voor minimaal 500 meter afstand tot NNB en Natura2000-gebieden.

    Voor dieren als insecten, vogels en vleermuizen zijn ook buiten het NNB en de Natura 2000-gebieden wel effecten te verwachten van met name windparken. In de buurt van Natura 2000-gebieden is een vergunning ‘Wet Natuurbescherming’ vereist. Daarbij moet een berekening gemaakt worden van de milieueffecten op de beschermde soorten. In milieueffectrapportages wordt vaak wel rekening gehouden met aanvaringsrisico’s van vogels en vleermuizen met windturbines.

    SOVON en Vogelbescherming Nederland hebben rapporten over de risico’s voor vogels gepubliceerd. Ook over insectensterfte is een rapport verschenen, maar voor zover bekend wordt dit over het algemeen niet meegenomen in de milieueffectrapportages.

    Weidevogelgebieden zijn geen wettelijke uitsluitingsgrond voor een gebied. De BMF heeft bij de Duurzame polder tussen Oss en Den Bosch bijvoorbeeld gepleit voor een minimale afstand van 1.200 meter tussen weidevogelgebieden en windturbines.

  • 7. Wat gebeurt er na 25 jaar met zon- en windparken?
    Zonneweides in het buitengebied kunnen mogelijk worden gemaakt door het afgeven van een tijdelijke omgevingsvergunning, zonder het bestemmingsplan te wijzigen. Dan moet na 25 jaar, als de omgevingsvergunning eindigt, het gebied in de oorspronkelijke staat worden hersteld.

    Als je niet wilt dat ontstane natuur na 25 jaar weer verloren gaat, is de oplossing om vooraf een bestemmingsplanwijziging naar bijvoorbeeld ‘Natuur’ in te zetten, of te werken met een gecombineerde bestemming, zoals ‘Zonneweide met natuurwaarden’.

    Zie ook ‘Artikel 3.41 lid 3. van de Interim Omgevingsverordening’ van de provincie Noord-Brabant.

  • 8. Moeten zonneparken worden voorzien van een hek?
    In steeds meer zonneweides is er aandacht voor wandel- of fietspaden door het zonnepark, maar het is zeker nog geen standaardpraktijk. Het is aan gemeenten om hiervoor beleid op te nemen en zonneweides te beschouwen in het kader van een bredere gebiedsontwikkeling. Ook voor dieren is de toegankelijkheid belangrijk zodat migratie mogelijk blijft.

    Als BMF vragen we aandacht voor deze ontwikkeling met ons project Energietuinen. Veel ontwikkelaars en maatschappelijke organisaties hebben de Gedragscode Zon op Land ondertekend. Daarin is opgenomen: “Er is de mogelijkheid voor klein wild om het park binnen te gaan.” Er zijn voor zover bekend geen wettelijke normen voor.

  • 10. Hoe kun je als inwoner zelf nog invloed uitoefenen?
    De mogelijkheden om invloed uit te oefenen op de RES zijn beperkt. Er zijn geen mogelijkheden tot bezwaar of beroep. Tegelijkertijd zijn er wel enkele dingen waardoor je invloed uit kunt oefenen.

    De RES krijgt elke paar jaar een update of mogelijk een herziening. Na de RES 1.0 komt de RES 2.0 in 2023. Om invloed uit te oefenen, kun je jezelf of je organisatie uitnodigen bij de gemeente als gesprekspartner. Daarnaast zijn er verschillende manieren om te participeren in energieprojecten, doe daarin actief mee! Verder kun je de raadsleden of de wethouder informeren, bijvoorbeeld over mogelijkheden tot verbetering. Soms kun je invloed uitoefenen door moties en amendementen aan te reiken bij gemeenteraadsleden, of via inspraakreacties of zienswijzen op bijvoorbeeld een milieueffectrapportage (m.e.r.). als die vereist is.

 

Foutje gezien? Mail naar communicatie@brabantsemilieufederatie.nl

DOE MET ONS MEE
Samen werken we aan een mooi en duurzaam Brabant!