Begrenzing Brabantse veestapel eerste stap in goede richting, maar forse krimp blijft noodzakelijk

december 1, 2016

Begrenzing Brabantse veestapel eerste stap in goede richting, maar forse krimp blijft noodzakelijk

StalDe Brabantse Milieufederatie en het Burgerplatform Minder Beesten hebben voorzichtig positief kennisgenomen van de Statenmededeling ‘Versnelling transitie naar een duurzame veehouderij’. Het provinciebestuur laat zien dat het serieus werk wil maken van de verduurzaming van de Brabantse veehouderij. Na jaren van groei en intensivering, wordt nu eindelijk gesproken over een begrenzing en zelfs lichte krimp van de Brabantse veestapel. Dat is een eerste stap in de goede richting, maar nog lang niet genoeg om de spanning tussen de veehouderij en haar omgeving in Brabant op te heffen. Voor herstel van de leefomgeving, de natuur, het milieu en de volksgezondheid is een forse krimp van de veestapel absoluut noodzakelijk. Een sociaal vangnet voor boeren die geen perspectief meer hebben in Brabant hoort daarbij.

Staldering
Belangrijk onderdeel van het voorgestelde mestbeleid is een begrenzing van de veestapel in Brabant door middel van staldering. Dat betekent dat voor iedere nieuwe stal een even grote oude stal moet verdwijnen. Naar onze mening is staldering een eenvoudige en effectieve manier om de veestapel te begrenzen. We hebben nog wel een aantal aandachtspunten voor de verdere uitwerking:

  1. Het provinciebestuur stelt voor dat (samenwerkende) gemeenten de staldering regionaal gaan uitvoeren met een zogenaamde stalderingsdienst. Wij zijn daar op tegen, omdat lokale belangen dan al snel de overhand krijgen. De provincie is bij uitstek de overheid die de regie kan en moet nemen en strakke sturing moet geven aan de opzet en uitvoering van de staldering.
  2. Onderdeel van staldering is dat via afroming van stallen ook tot krimp van de veestapel wordt gekomen. In de Statenmededeling ontbreekt echter een hard geformuleerde taakstelling. Wij vragen het provinciebestuur om – in lijn met het advies van de werkgroep veedichtheid in de mestdialoog – een afroming van minimaal 5% voor te schrijven, zodat een eerste stap kan worden gezet naar herstel van de leefomgeving, de natuur, het milieu en de volksgezondheid in Brabant.
  3. Melkvee wordt buiten de staldering gehouden, omdat de rijksoverheid al bezig is een begrenzing aan te brengen. De uitkomst van het rijksbeleid is echter onzeker en kan zelfs mislukken. Er is dan geen achtervang meer. Staldering voorziet daar wel in. Wij vinden dit instrument daarom noodzakelijk om verdergaande intensivering van de melkveehouderij in Brabant – die nu al tot de meest intensieve van Nederland behoort – te voorkomen.
  4. Staldering geldt voor het Brabantse deel van het concentratiegebied uit de Meststoffenwet en dus niet voor West-Brabant. Er wordt gesteld dat via bestemmingsplannen groei van de veestapel in West-Brabant wordt voorkomen. Het is echter onzeker of een stop op de groei van de veestapel hiermee ook daadwerkelijk nu en in de toekomst kan worden gegarandeerd. Naar ons idee zou de staldering daarom moeten gelden voor heel Brabant om een waterbedeffect (verplaatsing van het probleem) te voorkomen en de veestapel daadwerkelijk in heel Brabant te begrenzen.

Mestverwerking
In de Statenmededeling worden verschillende actieplannen geschetst voor mestverwerking. Wij hebben ernstige bedenkingen bij de wenselijkheid en haalbaarheid van grootschalige mestverwerking. We denken dat mestverwerking de transitie naar een duurzame veehouderij eerder vertraagt dan versnelt, omdat het een systeem in stand houdt dat inherent niet-duurzaam is. De oorzaak van het enorme mestoverschot (60%) in Brabant is en blijft immers een te grote veestapel. Wij maken ons ernstige zorgen over de gezondheidseffecten voor omwonenden en de gevolgen voor bodem, water, lucht en natuur van die enorme Brabantse veestapel. Daarnaast ontbreekt een realistisch businessmodel voor mestverwerking, ondanks herhaalde verzoeken van onze kant tot nadere onderbouwing. Mestverwerking is naar onze mening dan ook gebaseerd op wensdenken. Het gaat uit van de aanname dat het gehele mestoverschot na bewerken uit Brabant verdwijnt. Het is echter zeer de vraag of is dit technisch, logistiek en financieel haalbaar is. De veehouderij verkeert economisch bovendien in dermate zwaar weer dat de noodzakelijke investeringen weleens een te zware last kunnen blijken. Dit alles leidt ons tot de conclusie dat het onverantwoord zou zijn als de provincie mestverwerking op grote schaal gaat faciliteren. Naar ons idee moet het probleem bij de bron worden aangepakt. Dat betekent dat moet worden toegewerkt naar een veestapel die de draagkracht van de Brabantse bodem niet te boven gaat, de gezondheid van omwonenden niet in gevaar brengt en ook op andere milieuaspecten echt duurzaam wordt. Pas als daaraan is voldaan, kan met ons worden gesproken over mestverwerkingslocaties.

Convenant Stikstof
In 2009 heeft de provincie samen met onder andere de BMF en de ZLTO het Convenant Stikstof en Natura 2000 gesloten. Doel was het substantieel verminderen van de ammoniakbelasting op Natura 2000-gebieden. De grote stikstofdepositie uit de veehouderij is niet alleen zeer schadelijk voor de natuur, maar zit ook andere economische activiteiten in Brabant in de weg, omdat de veehouderij onevenredig veel PAS-ruimte opslokt. Omdat de doelstelling uit het convenant niet dreigt te worden gehaald, is ingrijpen van de provincie is noodzakelijk en legitiem. Het naar voren halen van het jaartal waarin oude stallen moeten voldoen aan de emissie-eisen is een goede maatregel. Uit de Statenmededeling spreekt evenwel een te groot geloof in emissiereducerende technieken. Ook hier is de te grote veestapel in Brabant de bron van het probleem. Krimp van de veestapel is dan ook de meest effectieve oplossing voor het verminderen van de ammoniakbelasting op natuur. Goed flankerend beleid waarmee stoppende bedrijven worden geholpen om hun bedrijf eerder te beëindigen en waarmee de productieomvang wordt beperkt is naar onze mening noodzakelijk.